maandag 14 januari 2013

Een vreemde taal

Eén van de verhalen die gaan over de (Nederlandse) visserstruien is dat de vissers die droegen 'om herkenbaar te zijn in een land waarvan ze de taal niet spraken'.
Dat kan. Wij vragen ons echter af of dit klopt. Immers, als je per jaar enkele maanden in een ander land verblijft en afhankelijk bent van (ruil)handel aldaar dan leer je de taal toch spreken in de praktijk? Als we denken aan bijvoorbeeld de Duitse toeristen die jaarlijks Zeeland bezoeken: zij spreken vaak Nederlands. Dat is met een accent maar zij kunnen zich goed verstaanbaar maken.


De Scheveningen 77 loopt Lerwick binnen, ca. 1920


We besluiten het te vragen aan mevrouw Ineke van de Craats, wetenschapper en onderzoeker. Zij is verbonden aan de faculteit taalwetenschap van de Radbout Universiteit in Nijmegen. Haar specialiteit is het aanleren van een tweede / vreemde taal.

Wij leggen haar deze vraag voor:


In eerdere onderzoeken naar Nederlandse visserstruien wordt gesteld dat vissers hun truien droegen  'om herkenbaar te zijn in een land waarvan men de de taal niet sprak'. Wij hebben hier wat vraagtekens bij.
Nederlandse vissers verbleven soms een hele periode in Schotland of Engeland. Zij hadden intensief contact met de bevolking, handelden in vis en andere goederen en kwamen daar jaarlijks terug.
Hoewel de vissers geen schoolopleiding hebben gehad achten wij het waarschijnlijk dat deze vissers de Engelse (Schotse) taal wel een beetje beheersten, geleerd in de praktijk. Is dit een gedachte die steek zou kunnen houden?

Dit is haar antwoord:

Het is terecht dat je daar vraagtekens bij zet.

Al honderden, zo niet duizenden jaren zijn handelslieden de wereld in gegaan. Ze hadden vaak op basaal niveau taalcontact met de mensen die hun waar kochten en zo zijn er zogenaamde Pidgin-talen ontstaan. Pidgin-talen hebben weinig grammatica omdat  het voor volwassenen nu eenmaal moeilijk is de grammatica van een nieuwe taal te ontdekken zonder hulp en je die eigen te maken. 


Je moet daarbij ook denken aan talen die ontstaan zijn op de plantages tussen slaven uit Afrika en hun bazen in Amerika. Als die mensen kinderen krijgen, blijken de kinderen in staat spontaan grammatica te geven aan zulke pidgintalen. We spreken dan van Creooltalen (denk aan Sranan Tongo, Papiamentu, Creeols op Haïti, enz.). Die vissers zullen zeker een aardig mondje Engels hebben gesproken, ze zullen zeker veel woorden gekend hebben zonder die volledig grammaticaal aan elkaar te rijgen.


De middelste visser op de foto in Lerwick wordt bij name genoemd:
Pieter Vrijland , foto gemaakt in de jaren '20

Het is soms ook handig om als vreemdeling herkend te worden (vandaar die truien) omdat de mensen om je heen een beetje meer ermee rekening houden dat je niet alles zomaar verstaat en wat langzamer gaan praten of je meer gaan helpen. Dat effect wordt ook bereikt door niet bijna voortreffelijk te spreken maar je accent te laten horen. Ze kunnen ook gevonden hebben dat die truien bij hun identiteit pasten en zich daar lekker bij gevoeld hebben.


Het zegt niet zoveel of je een taal op school gehad hebt. Er zijn zoveel tweetaligen op de wereld die hun tweede taal spontaan, in de praktijk geleerd hebben: denk aan Indianen in Zuid-Amerika die meerdere talen beheersen, aan de bewoners van dorpen in Afrika, bijv. in Togo, of Ghana waar iedere paar dorpen hun eigen taal hebben. Het zijn ook nog vaak analfabeten die meerdere talen spreken. Je ziet alles is betrekkelijk.


Als we de lijn doortrekken naar onszelf: wij rijden graag met onze continentale auto met kaasplankjes (kentekenplaten) in de UK. Niet omdat we de taal niet spreken. Wel omdat de Britten dan kunnen zien dat wij het links rijden niet gewend zijn. We kúnnen het wel, maar het gaat ons niet zo goed af als de Britten zelf. Door die kaasplankjes zien zij dat ons stuur 'verkeerd' zit en dat we mogelijk wat meer moeite hebben met het inschatten van omgekeerde verkeerssituaties (rotondes).
In de praktijk blijkt (dat weten we omdat we ook wel eens met een Britse huurauto rijden) dat er dan inderdaad rekening met je wordt gehouden. In de huurauto zijn we niet herkenbaar als 'from Europe ;-)' en worden we in het verkeer behandeld als elke andere Brit.


Nederlandse kuipers verwerken in Lerwick de vangst aan boord


Conclusie: de vissers hebben wel voordeel van het dragen van hun Nederlandse kleding. Zoals we al eerder opmerken: zij worden herkend aan bijvoorbeeld hun klompen of broek. Dit is echter niet omdat zij de taal niet spreken.

De foto's bij dit bericht zijn afkomstig uit het archief van het Shetland Museum, net als de informatie die bij de foto's gegeven wordt.

2 opmerkingen:

Anoniem zei

Las net bij een van de oudere berichten,dat de foto's van het blog niet te zien zijn als je het via je e-mail leest.
Als je onderaan de e-mailblog klikt op -zeewse truien- dan kom je direkt op jullie blog en zie je natuurlijk wel de foto's.
Maar misschien hebben jullie ondertussen dit probleem verholpen.
Lees jullie verhalen met veel plezier.Tot nu toe geen ansichtkaarten kunnen vinden voor jullie.
groetjes,Truus uit Drenthe

Zeeuwse Visserstruien zei

Dag Truus, de foto's zouden nu zichtbaar moeten zijn. Als dit niet zo is in een e-mail bericht dan ligt dit waarschijnlijk aan de instellingen in het e-mailprogramma van de ontvanger. Het downloaden van afbeeldingen moet worden toegestaan.
Gelukkig zijn de foto's (we genieten er iedere keer weer van) op het blog wel te zien.

Groetjes, Anna en Lupineke