Posts tonen met het label fabels en feiten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fabels en feiten. Alle posts tonen

vrijdag 19 april 2013

Fabels en feiten - Wassen en vervilten

Nog even voor alle duidelijkheid: de dingen die wij vinden en de verhalen die wij horen zijn geen wetten van Meden en Perzen. Het kan zo maar zijn dat op een andere plaats, of zelfs binnen een andere familie in dezelfde plaats, weer heel anders met breiwerk werd omgegaan.


In het vorige berichtje hebben jullie kunnen lezen dat Arjan van Dijke ons op het spoor zet van Frans en Tannetje Bout. Beide echtelieden zijn inmiddels op hoge leeftijd, maar dat doet aan hun vertelkracht niets af. Wat hebben Anja en Stefanie een leuke middag gehad!

Anja is na het eerste interview nog een paar keer terug geweest. Soms met nieuwe vragen, soms om zekerheid over iets te krijgen. Frans en Tannetje zijn van de generatie vissers die zelf werkten in de periode waarin wij ons onderzoek doen. Hun aantal wordt snel kleiner.
Het echtpaar zal zeker nog een aantal keren voorbij komen op dit blog. Ze kunnen goed verhalen vertellen, het is een lust om naar te luisteren. Omdat de meeste lezers het Thoolse dialect niet eigen zullen zijn, hebben we alle echte dialectwoorden zo veel mogelijk naar het Nederlands 'vertaald'.

Eén van de zaken die aan de orde komen is het vervilten van de truien. Eigenlijk gaat het over heel iets anders:
Tannetje vertelt: "Van de sajet breiden we ook sokken. Nou, als je er dan één had met zweetvoeten, dan was het binnen een week gebeurd."
.......Wat was er dan gebeurd?
"Die sajet, dat was zulke ongelofelijke rotwol. Maar ja, je had niets anders dus je deed het er mee. Dan had je een paar sokken gebreid en kon je ze na een week al weggooien. Door het zout in het zweet waren ze dan helemaal vervilt en zo hard als een plank. De sokkenwol van tegenwoordig is veel beter. Die gaat tenminste een poosje mee." (Frans toont zijn door Tannetje gebreide sokken).

Frans: "Mijn moeder breide onze truien van sajet. Het klopt, dat was wol als je er nog maar naar keek dan vervilte het al. De truien werden op de groei gebreid, óf wat groter (bij volwassen mannen) zodat ze nog zouden passen als ze zouden krimpen in de was…"
....Het was niet de bedoeling dat ze vervilten voor extra bescherming?
"Nee, het was niet de bedoeling dat die truien zouden vervilten. Het gebeurde gewoon, dat lag aan de wol. Bovendien: als ze vervilten gaat heel de rek er uit."



Tannetje: "Je was altijd als de dood om hun truien uit te wassen. Die truien hadden ze een hele week aan. Dat stonk verschrikkelijk als ze thuis kwamen. De truien moesten altijd heel voorzichtig op de hand worden gedaan. Je was als de dood dat ze zouden gaan vervilten. Maar ja, met vuulte van een hele week moest dat eigenlijk wel met heet water. En dat was dan weer niet goed voor de wol. Dan was het hopen dat die trui goed uit de was kwam.

Op den duur waren de truien helemaal hard en vervilt. Dat wilde je niet, maar het gebeurde gewoon. Dan wisten de mannen ze niet meer uit te krijgen. Met de wol kon je dan eigenlijk niets meer. Uitrafelen ging niet, het zat helemaal in elkaar. Dan was het eigenlijk alleen nog geschikt als poetslap. Wel zonde van al je werk. Mijn vader had ook van die truien (de vader van Tannetje was landarbeider), maar hij droeg ze bijna nooit. Hij vond het vervelende dingen. Dus die van mijn vader sleten niet zo hard ;)"

Frans: "Lusten jullie nog een kopje thee dames?"

maandag 18 maart 2013

Fabels en feiten - Kleren maken de man

Eén van de verhalen die gaan over de visserstruien is dat die nooit werden gewassen. Doordat de eigenaar de trui altijd aanhad werd die vanzelf waterdicht door vuil en vet.

Wij wagen het om sterkt te twijfelen aan het waarheidsgehalte van dit verhaal. Jazeker, het klopt voor een deel. De vissers die van zondagnacht tot donderdag, vrijdag of zaterdag aan boord zijn komen vaak niet 'uit de kleren'. Aan boord is er altijd minimaal één lid van de bemanning wakker. De anderen kunnen dan slapen. Dat is tegenwoordig nog steeds zo. Totdat er vis is, of  'stront aan de knikker'. In het eerste geval moet iedereen zo snel mogelijk aan dek om netten buiten te zetten of vis binnen te halen. In het tweede geval moet iedereen ook zo snel mogelijk aan dek. Nu om het schip en/of het vege lijf te redden. Het slapen aan boord bestaat meestal uit korte tukken. Een 'boerennacht' van 7 of 8 uur is er zeker niet bij.

Foto: Archief Tholen
helemaal rechts: Kees Bout
Omdat iedereen steeds zo snel mogelijk paraat moet zijn is het handig om de kleren aan te houden. Er zijn zelfs mannen die met hun laarzen aan in hun kooi kruipen.
Stel je van die kooien niet al te veel voor. De kooi (soms maar één, soms meer dan één) zat op een plek die verder van weinig nut was aan boord. In de punt (stampen) of bij kuilen lijn. Daar sliep dan twee man in, kop aan kont. Dat kost minder ruimte. De kooien waren meestal zo laag dat je niet rechtop kon zitten.
Probeer dan maar eens op een stampend en slingerend schip je kleren en je laarzen aan te trekken.
Klompen werden overigens wél uitgedaan. Daar schiet je zo in. Als je ze tenminste zo hebt weggestopt dat ze niet door de ruimte gaan rollen.

Doordat de vissers hun kleren een hele week aanhouden is nat worden (regen, buiswater) een probleem. Eenmaal nat blijf je nat tot je weer thuis bent. Een visser zal dan ook willen voorkomen dat zijn kleren nat worden. Daarom trekt hij oliegoed aan als daar de tijd voor is. Dan heb je geen waterdichte trui nodig.

Dat de trui thuis ook niet zou worden gewassen wagen we te betwijfelen.
'Als ze dan op vrijdag of zaterdag thuiskomen zijn ze ongeschoren en ze stinken', aldus de vissersvrouwen. Eerst wassen en scheren. Het scheren kan in die jaren nog bij de plaatselijke kapper. Op zondag ga je tenslotte pront naar de kerk.

Foto; Archief Tholen
rechts: Kees bout
We hebben foto's van dezelfde vissers in verschillende truien. Daarom denken we dat een visser vaak meer dan één trui had. De vuile trui kan dan op maandag worden gewassen en is de week daarna weer droog. De meeste vissers zijn behoorlijk arm. Sajet is echter de goedkoopste wolsoort die er is. Dat maakt sajet voor de vissersvrouwen een aantrekkelijk materiaal.

Aan boord werd er niet gewassen (zowel het lijf als de kleding) door de vissers. De hoeveelheid water die meegenomen kan worden is minimaal. Dit kostbare drinkwater ga je zeker niet verspillen aan het wassen van jezelf of je kleren.

Het 'niet wassen' van de truien ligt aan de westkant van de Noordzee een klein beetje anders. Daar is de visserstrui of gansey onderdeel van het marine uniform. Bij de marine ben je vaak langere tijd aan boord van het schip. Probleem aan boord is altijd de ruimte. Ook voor eten en drinken is de ruimte beperkt. Ruim  100 jaar geleden is het water rantsoen aan boord van een Engels marineschip zo'n 3 liter per persoon per dag voor drinken, koken en wassen. Daar ben je natuurlijk heel zuinig mee.


Wassen in zeewater kan niet. Het zout uit het water zal vocht aantrekken. Bovendien blijven er allerlei kleine organismen achter in de gansey. Dan stink je niet alleen naar een paalhoofd bij laag water (of een oesterput), maar die organismen zullen ook gaan rotten. Hoewel wij vinden dat een paalhoofd en een oesterput best lekker ruiken, kunnen wij ons voorstellen dat deze geur het als afther-shave niet goed zal doen.

Soms kan er worden gewassen in regenwater en maak je tijd om jezelf en je kleding te soppen.
Voor het wassen van de gansey had men een simpele, maar zeer effectieve methode gevonden. De ganseys worden gewassen in urine. Dit product is aan boord en kan na gebruik worden weggegooid. Urine is in eerste instantie een 'schoon' product. Pas na enige tijd gaan zich er bacteriën in ontwikkelen. Verse urine is daarom 'frisser'. Na het wassen wordt de gansey in de wind en zon te drogen gehangen.

En nu weten jullie misschien wel meer dan jullie eigenlijk wilden weten ;)

Bronnen:

  • Vissersverhalen, Kees Slager en Paul de Schipper
  • A fisherman knits
  • Archief gemeente Tholen




maandag 18 februari 2013

Fabels en feiten - Allemaal beestjes

In de loop van ons onderzoek worden we steeds voorzichtiger over wat eventueel wel of niet zo was. Dat je iets niet vindt wil niet zeggen dat het er niet is. Dingen die je wél vindt zijn soms anders dan ze lijken. Zaken die in het verleden als 'feit' zijn gepresenteerd blijken nu toch anders te liggen. Het kan dus heel goed zijn dat we nu dingen niet vinden die er wel waren of zaken anders interpreteren dan ze geweest zijn. Wij staan altijd open voor nieuwe feiten en verhalen. Laat het ons vooral weten!

We maken weer een uitstapje naar de fabels en de feiten:

Eén van de verhalen die de ronde doen over het dragen van visserstruien is de volgende: 'Vissers dragen deze truien zodat ze herkenbaar zijn als ze zijn verdronken. De vinders kunnen het lichaam dan naar de plaats van herkomst terugbrengen óf de bewoners van die plaats inlichten.' Hoewel deze verklaring tegenwoordig overal voor waarheid wordt aangenomen, lijkt dit volgens ons eerder een romantische mythe dan een op waarheid berustend vaststaand feit.

Foto: Hans Geluk
Wij vragen ons af: hoe komt het dat wij tot nu toe geen enkel geval met naam en toenaam hebben kunnen vinden van identificatie aan de hand van een trui? Zoals gezegd: dat we iets niet vinden wil niet zeggen dat het er niet is. Bij ons onderzoekje naar het waarheidsgehalte van de bewering hierboven stuiten op de website van Gordon Reid uit Edinburgh. Hij houdt zich al meer dan 25 jaar bezig met ganseys. Ook hij heeft gezocht naar voorbeelden van verdronken vissers die herkend worden aan de hand van hun trui. Hij heeft geen gevallen kunnen vinden.

Twee punten roepen bij ons vragen op.
Als bovengenoemde veronderstelling klopt, dan zou elk vissersdorp langs zowel Noord-Franse, Oost-Engelse en Nederlandse kust een uniek, eigen patroon moeten hebben wat nergens anders voorkomt. We kunnen met zekerheid vaststellen dat een aantal patronen specifiek voorkomt in een bepaald gebied of dorp. Er zijn echter ook een groot aantal patronen die wijd en zijd verspreid zijn en die in verschillende gebieden en dorpen voorkomen. 

Dit is niet verwonderlijk als je bedenkt dat de haringkaaksters langs het hele kustgebied trokken. Zij probeerden verschillende patronen die ze onderweg tegen kwamen uit en deze werden ook onderling uitgewisseld. Hetzelfde deden de vissersvrouwen (die thuis breiden) en die naast hun favoriete familiepatroon ook wel eens wat nieuws wilden proberen. En wat te denken van een visser die in een ander dorp ‘introuwde’.. of in een ander vissersdorp een trui zag die hem wel aansprak?


Het tweede punt is van meer praktische aard.
Wat gebeurt er met een lichaam en de trui in zout water? De vissers die verdrinken en zich nog in of aan het schip bevinden zijn gemakkelijk te identificeren. Voor lichamen die binnen een paar dagen worden gevonden geldt dit ook. Meestal bevindt dit lichaam zich dan nog in de buurt van de plaats van verdrinking.
Dat een lichaam echter ook grote afstanden kan afleggen onder water blijkt uit het feit dat één van de opvarenden van de Baltic Sea (scheepsramp voor de Zeeuwse eilanden) wordt gevonden voor de kust van IJmuiden. Door DNA onderzoek volgt identificatie tegenwoordig dan alsnog. Dit kon een eeuw geleden nog niet.
Uit het feit dat het groot nieuws is als iemand wordt gevonden die 'los' op zee is verdronken blijkt hoe zeldzaam het vinden van een lichaam eigenlijk is.

Wat gebeurt er dan met een verdronken visser?
Een lichaam op land (zuurstof) zal sneller ontbinden dan een lichaam in water. Grofweg kun je zeggen dat (bij binnenwater) een lichaam in de zomer na twee dagen gaat drijven en in het voor-en najaar na drie tot veertien dagen. Zeewater is over het algemeen kouder dan binnenwater. Daardoor duurt het ook langer voor een lichaam boven komt.
De kleding die iemand aan heeft speelt hier bij ook een rol. Zware kleding (denk aan oliegoed) zorgt er voor dat een lichaam langer onder water blijft.


Tijdens het verblijf onder water kunnen aas-eters hun gang gaan. Zoals geldt voor dieren geldt het ook voor mensen. Een dood lichaam wordt opgeruimd (eten en gegeten worden). Binnen een paar dagen valt een lichaam ten prooi aan bijvoorbeeld vissen en garnalen.

Voordat de dieren bij het lichaam kunnen komen zullen ze zich eerst een weg door en tussen de lagen kleding moeten banen. Door deze vreterij en de invloed van het zeezout zullen de lagen kleding,  inclusief de trui, snel tot onherkenbare stukjes textiel vergaan.

Dit kan een verklaring zijn waarom we geen voorbeelden hebben kunnen vinden van vissers die werden geïdentificeerd aan de hand van hun trui. Of de stelling waar we mee begonnen 'waar' of 'niet waar' is kunnen we niet beantwoorden. Immers, dat we iets niet vinden wil niet zeggen dat het er niet is. Laten we zeggen dat we deze bewering minder waarschijnlijk vinden.

Bronnen: 

  • Blauw, het politievakblad, jaargang 4 nummer 19: Lichaam te water
  • Seamasters: Dood in de zee






maandag 14 januari 2013

Fabels en Feiten - Een vreemde taal

Eén van de verhalen die gaan over de (Nederlandse) visserstruien is dat de vissers die droegen 'om herkenbaar te zijn in een land waarvan ze de taal niet spraken'.

Dat kan. Wij vragen ons echter af of dit klopt. Immers, als je per jaar enkele maanden in een ander land verblijft en afhankelijk bent van (ruil)handel aldaar dan leer je de taal toch spreken in de praktijk? Als we denken aan bijvoorbeeld de Duitse toeristen die jaarlijks Zeeland bezoeken: zij spreken vaak Nederlands. Dat is met een accent maar zij kunnen zich goed verstaanbaar maken.


De Scheveningen 77 loopt Lerwick binnen, ca. 1920
We besluiten het te vragen aan mevrouw Ineke van de Craats, wetenschapper en onderzoeker. Zij is verbonden aan de faculteit taalwetenschap van de Radbout Universiteit in Nijmegen. Haar specialiteit is het aanleren van een tweede / vreemde taal.

Wij leggen haar deze vraag voor:

In eerdere onderzoeken naar Nederlandse visserstruien wordt gesteld dat vissers hun truien droegen  'om herkenbaar te zijn in een land waarvan men de de taal niet sprak'. Wij hebben hier wat vraagtekens bij.
Nederlandse vissers verbleven soms een hele periode in Schotland of Engeland. Zij hadden intensief contact met de bevolking, handelden in vis en andere goederen en kwamen daar jaarlijks terug.
Hoewel de vissers geen schoolopleiding hebben gehad achten wij het waarschijnlijk dat deze vissers de Engelse (Schotse) taal wel een beetje beheersten, geleerd in de praktijk. Is dit een gedachte die steek zou kunnen houden?

Dit is haar antwoord:


Het is terecht dat je daar vraagtekens bij zet.


Al honderden, zo niet duizenden jaren zijn handelslieden de wereld in gegaan. Ze hadden vaak op basaal niveau taalcontact met de mensen die hun waar kochten en zo zijn er zogenaamde Pidgin-talen ontstaan. Pidgin-talen hebben weinig grammatica omdat  het voor volwassenen nu eenmaal moeilijk is de grammatica van een nieuwe taal te ontdekken zonder hulp en je die eigen te maken. 


Je moet daarbij ook denken aan talen die ontstaan zijn op de plantages tussen slaven uit Afrika en hun bazen in Amerika. Als die mensen kinderen krijgen, blijken de kinderen in staat spontaan grammatica te geven aan zulke pidgintalen. We spreken dan van Creooltalen (denk aan Sranan Tongo, Papiamentu, Creeols op Haïti, enz.). Die vissers zullen zeker een aardig mondje Engels hebben gesproken, ze zullen zeker veel woorden gekend hebben zonder die volledig grammaticaal aan elkaar te rijgen.



De middelste visser op de foto in Lerwick wordt bij name genoemd:
Pieter Vrijland , foto gemaakt in de jaren '20
Het is soms juist ook handig om als vreemdeling herkend te worden (vandaar die truien) omdat de mensen om je heen een beetje meer ermee rekening houden dat je niet alles zomaar verstaat en wat langzamer gaan praten of je meer gaan helpen. Dat effect wordt ook bereikt door niet bijna voortreffelijk te spreken maar je accent te laten horen. Ze kunnen ook gevonden hebben dat die truien bij hun identiteit pasten en zich daar lekker bij gevoeld hebben.

Het zegt niet zoveel of je een taal op school gehad hebt. Er zijn zoveel tweetaligen op de wereld die hun tweede taal spontaan, in de praktijk geleerd hebben: denk aan Indianen in Zuid-Amerika die meerdere talen beheersen, aan de bewoners van dorpen in Afrika, bijv. in Togo, of Ghana waar iedere paar dorpen hun eigen taal hebben. Het zijn ook nog vaak analfabeten die meerdere talen spreken. Je ziet alles is betrekkelijk.


Als we de lijn doortrekken naar onszelf: wij rijden graag met onze continentale auto met kaasplankjes (kentekenplaten) in de UK. Niet omdat we de taal niet spreken. Wel omdat de Britten dan kunnen zien dat wij het links rijden niet gewend zijn. We kúnnen het wel, maar het gaat ons niet zo goed af als de Britten zelf. Door die kaasplankjes zien zij dat ons stuur 'verkeerd' zit en dat we mogelijk wat meer moeite hebben met het inschatten van omgekeerde verkeerssituaties (rotondes).

In de praktijk blijkt (dat weten we omdat we ook wel eens met een Britse huurauto rijden) dat er dan inderdaad rekening met je wordt gehouden. In de huurauto zijn we niet herkenbaar als 'from Europe ;-)' en worden we in het verkeer behandeld als elke andere Brit.


Nederlandse kuipers verwerken in Lerwick de vangst aan boord
Conclusie: de vissers hebben wel voordeel van het dragen van hun Nederlandse kleding. Zoals we al eerder opmerken: zij worden herkend aan bijvoorbeeld hun klompen of broek. Dit is echter niet omdat zij de taal niet spreken.

De foto's bij dit bericht zijn afkomstig uit het archief van het Shetland Museum, net als de informatie die bij de foto's gegeven wordt.

maandag 7 januari 2013

Fabels en Feiten - herkomst van de gansey

In eerdere berichten hebben we al geschreven over de reikwijdte van de vissers en hun schepen. Om de geschiedenis van visserstruien te kunnen begrijpen gaan we terug naar Groot Brittannië.

De Britten zijn het zelf niet eens over hoe en waar de visserstrui precies is ontstaan. Eén verhaal is dat de gansey (zoals de visserstrui in Groot Brittannië heet) ontstaan zou zijn op Guernsey. Op dit eiland is al in de 15e eeuw een brei industrie waar bijvoorbeel kousen worden gemaakt. Voor het vervolg houden we deze versie voor 'waar' aan. Als we het tegendeel kunnen bewijzen komen we er op terug.

Foto: Gansey.co.uk
Er gaan verhalen dat de gansey oorspronkelijk als ondergoed zou zijn gedragen en vervolgens evolueert naar 'bovengoed'. Als de gansey inderdaad oorspronkelijk van Guernsey afkomstig is, is dit onwaarschijnlijk.
Het ondergoed was namelijk bekend als 'jersey'. Inderdaad, van het gelijknamige eiland. Een kenner schijnt het verschil tussen een gladgebreide gansey (bovengoed) en een gladgebreide jersey (ondergoed) te kunnen zien.
Zeker is wel dat lord Nelson in 1805 de gansey tot onderdeel van het marine uniform maakt. Of dit een gebreide of een geweven gansey was is niet helemaal duidelijk. Het is in ieder geval  'bovengoed'.

Waar de Britten het wel over eens zijn is dat de gansey zich van het zuiden naar het noorden verspreidt. Het kernwoord hier blijkt 'haring' te zijn. De haring trekt van zuid naar noord, of andersom (afhankelijk van het jaargetijde) over de Noordzee.
De haringvissers trekken met de haring mee. Nu zou je verwachten dat de vissers de ganseys mee nemen naar hun thuishaven. Het blijken echter niet de vissers maar vooral de gutters te zijn die de gansey verspreiden.


Foto: Shetland Museum and archives
Behalve de vissers trekken namelijk ook de gutters (haringkakers) van noord naar zuid langs de Britse kust. Deze gutters zijn vaak vrouwen. Net als met de paardentand staat ook de vrouwenhand niet stil. Als er niet gewerkt wordt, wordt er gebreid.
Mooi is dat de gutters de gansey steeds verfijnder maken. Hoe verder naar het noorden, hoe ingewikkelder de patronen. Het hoogtepunt ligt hier letterlijk én figuurlijk in Schotland (inclusief de Shetlands). In Schotland wordt (ook) Gaelic gesproken. Het Gaelic woord voor 'gansey' is 'geansaidh'.

De tot nu toe oudste foto die we hebben kunnen vinden met een bewerkte gansey dateert uit 1880. De bekende foto van vissers in Vlissingen is van 1891, slechts 11 jaar jonger.

Foto: Beeldbank HVA

Vrij zeker is dat de Nederlandse haringvissers die op de Shetlands komen de ganseys meenemen naar Nederland, net zoals dat gebeurt met de Itse muts in Marken. Mogelijk is er ook nog een connectie wat zuidelijker, met de botvisserij. Echte bewijzen hiervoor hebben we nog niet kunnen vinden. Het breigoed wordt geruild voor bijvoorbeeld thee of tabak.


Foto: Shetland Museum and archives

Voor Zeeland lijkt het kernwoord niet 'haring' maar 'mossel' te zijn. Vanaf 1890 vinden we in het archief van het Shetland museum Nederlandse vissers in ganseys. Ze zijn ondermeer afkomstig van Marken en Urk. Rond 1870 zijn de mosselbanken in de zuidelijke Nederlanden vrijwel uitgeput en gaan Zeeuwse vissers over de Zuiderzee naar het noorden om op de Waddenzee mosselzaad te vissen. In 1891 wordt de foto van de Arnemuidse vissers in Vlissingen gemaakt.

Tijdens de dagen dat er niet gevist kan worden en men verwaaid ligt ergens in een haven is er contact tussen vissers uit verschillende plaatsen.
We gaan er op dit moment van uit dat de mosselvissers de vissertrui hebben meegenomen naar het zuiden van Nederland. Als dit klopt is de verspreiding langs de Friese, Hollandse en Zeeuwse kust snel gegaan. Binnen één decennium dragen veel vissers dergelijke truien.

maandag 17 december 2012

Fabels en Feiten - Visserstrui als paspoort

Inmiddels vinden we een heleboel losse eindjes. Hopelijk kunnen we daar uiteindelijk een mooi verhaal van breien. Om het beeld te schetsen: verschillende truien komen we in verschillende plaatsen en op verschillende schepen tegen op foto's. Helaas zijn veel foto's van slechte kwaliteit. Watersnoden, inundaties en bombardementen hebben er geen goed aan gedaan.
Mogelijk moeten we ook tot de conclusie komen dat zaken die we decennia voor waar hebben aangenomen toch een beetje anders liggen. Dat vraagt een nieuwe manier van zoeken.

Op deze foto, gemaakt in Lerwick, zijn de jongens waarschijnlijk herkend als Nederlands aan hun klompen:


De vierde jongen in de roeiboot wordt beschreven als 'one other boy'. Immers, zijn klompen of ander schoeisel zijn niet zichtbaar. De foto is gedateerd: midden jaren '20.

We zijn daarom een aantal vragen gaan stellen. Bijvoorbeeld: draag je bepaalde kleding om herkenbaar ter zijn? Ja, in het geval van bijvoorbeeld uniform beroepen of een sportvereniging bij een wedstrijd.

Aan de andere kant: Ben je herkenbaar omdat je bepaalde kleding draagt? Ook ja. Een voorbeeld uit onze eigen praktijk:
Voor je in Schotland een munroe gaat beklimmen is het een goede gewoonte om je te melden bij de ranger. Daar geef je dan aan met hoeveel je bent, wat je gaat doen en wanneer je terug denkt te zijn. Allemaal voor het geval dat... De ranger noteert voor de statistieken ook het land van herkomst . In dit geval wil zij graag zelf raden: 'You're Dutch. The girls have proper shoes to climb a mountain, as well as you do.' We hebben die schoenen niet aan om herkenbaar te zijn als Nederlands. Die schoenen zijn om fatsoenlijk de berg op te kunnen.

Een dergelijk voorbeeld vinden we ook in het archief van het Shetland museum:


Uit een deel van het bijschrift: 'Nederlandse visser, waarschijnlijk van Marken. Hij draagt een kniebroek en leren klompen.' En dan als laatste zinnetje: 'Hij draagt een gebreide visserstrui.'
De man werd niet herkend aan zijn trui, maar aan zijn broek en klompen. In feite is dat logisch: handgebreide truien waren gemeengoed op de Shetlands. Deze afbeelding is overigens één van de twee oudst gedateerde foto's over Nederlanders in dit museum: uit 1890.

Wij gaan er op dit  moment van uit dat de vissers herkenbaar waren omdat zij truien droegen, en niet dat zij truien droegen om herkenbaar te zijn. Er werd gedragen wat men mooi vond, wat moeder de vrouw graag wilde breien, wat er in de mode was. Daarbij zal het 'toen' waarschijnlijk net zo geweest zijn als 'nu': Je wil je wel onderscheiden, maar ook niet buiten de groep vallen.

Een andere factor kan 'geld' zijn geweest. Sommige patronen (denk aan kabels) vragen veel meer sajet dan andere (de Arnemuidse slangen). Dan speelt rijkdom en armoede misschien ook een rol.


Anders ligt dit bij het consentnummer van visserschepen. Vanaf 1850 zijn er in het Zeeuws archief consenten te vinden voor visserschepen. Daarin wordt het schip beschreven en wie de eigenaar is. Hoewel we er voor het plaatsen van truien (er is geen merk aangebracht op het schip) niet zo veel aan hebben geeft dit wel een beeld over de hoeveelheid schepen. Vanaf 1883 moet elk schip wat buiten de 12-mijls zone vist een consent nummer hebben. Het nummer wordt goed zichtbaar aangebracht op het schip.

Dit is voor ons interessant. Het nummer bestaat namelijk uit maximaal 3 letters en 3 cijfers. De letters geven de thuishaven aan. Dat maakt het voor ons mogelijk in ieder geval het schip te identificeren.
Of de bemanning dan ook uit die thuishaven afkomstig was blijft de vraag. Daar zullen we waarschijnlijk nooit een antwoord op vinden.