Posts tonen met het label materiaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label materiaal. Alle posts tonen

vrijdag 19 april 2013

Fabels en feiten - Wassen en vervilten

Nog even voor alle duidelijkheid: de dingen die wij vinden en de verhalen die wij horen zijn geen wetten van Meden en Perzen. Het kan zo maar zijn dat op een andere plaats, of zelfs binnen een andere familie in dezelfde plaats, weer heel anders met breiwerk werd omgegaan.


In het vorige berichtje hebben jullie kunnen lezen dat Arjan van Dijke ons op het spoor zet van Frans en Tannetje Bout. Beide echtelieden zijn inmiddels op hoge leeftijd, maar dat doet aan hun vertelkracht niets af. Wat hebben Anja en Stefanie een leuke middag gehad!

Anja is na het eerste interview nog een paar keer terug geweest. Soms met nieuwe vragen, soms om zekerheid over iets te krijgen. Frans en Tannetje zijn van de generatie vissers die zelf werkten in de periode waarin wij ons onderzoek doen. Hun aantal wordt snel kleiner.
Het echtpaar zal zeker nog een aantal keren voorbij komen op dit blog. Ze kunnen goed verhalen vertellen, het is een lust om naar te luisteren. Omdat de meeste lezers het Thoolse dialect niet eigen zullen zijn, hebben we alle echte dialectwoorden zo veel mogelijk naar het Nederlands 'vertaald'.

Eén van de zaken die aan de orde komen is het vervilten van de truien. Eigenlijk gaat het over heel iets anders:
Tannetje vertelt: "Van de sajet breiden we ook sokken. Nou, als je er dan één had met zweetvoeten, dan was het binnen een week gebeurd."
.......Wat was er dan gebeurd?
"Die sajet, dat was zulke ongelofelijke rotwol. Maar ja, je had niets anders dus je deed het er mee. Dan had je een paar sokken gebreid en kon je ze na een week al weggooien. Door het zout in het zweet waren ze dan helemaal vervilt en zo hard als een plank. De sokkenwol van tegenwoordig is veel beter. Die gaat tenminste een poosje mee." (Frans toont zijn door Tannetje gebreide sokken).

Frans: "Mijn moeder breide onze truien van sajet. Het klopt, dat was wol als je er nog maar naar keek dan vervilte het al. De truien werden op de groei gebreid, óf wat groter (bij volwassen mannen) zodat ze nog zouden passen als ze zouden krimpen in de was…"
....Het was niet de bedoeling dat ze vervilten voor extra bescherming?
"Nee, het was niet de bedoeling dat die truien zouden vervilten. Het gebeurde gewoon, dat lag aan de wol. Bovendien: als ze vervilten gaat heel de rek er uit."



Tannetje: "Je was altijd als de dood om hun truien uit te wassen. Die truien hadden ze een hele week aan. Dat stonk verschrikkelijk als ze thuis kwamen. De truien moesten altijd heel voorzichtig op de hand worden gedaan. Je was als de dood dat ze zouden gaan vervilten. Maar ja, met vuulte van een hele week moest dat eigenlijk wel met heet water. En dat was dan weer niet goed voor de wol. Dan was het hopen dat die trui goed uit de was kwam.

Op den duur waren de truien helemaal hard en vervilt. Dat wilde je niet, maar het gebeurde gewoon. Dan wisten de mannen ze niet meer uit te krijgen. Met de wol kon je dan eigenlijk niets meer. Uitrafelen ging niet, het zat helemaal in elkaar. Dan was het eigenlijk alleen nog geschikt als poetslap. Wel zonde van al je werk. Mijn vader had ook van die truien (de vader van Tannetje was landarbeider), maar hij droeg ze bijna nooit. Hij vond het vervelende dingen. Dus die van mijn vader sleten niet zo hard ;)"

Frans: "Lusten jullie nog een kopje thee dames?"

maandag 18 maart 2013

Fabels en feiten - Kleren maken de man

Eén van de verhalen die gaan over de visserstruien is dat die nooit werden gewassen. Doordat de eigenaar de trui altijd aanhad werd die vanzelf waterdicht door vuil en vet.

Wij wagen het om sterkt te twijfelen aan het waarheidsgehalte van dit verhaal. Jazeker, het klopt voor een deel. De vissers die van zondagnacht tot donderdag, vrijdag of zaterdag aan boord zijn komen vaak niet 'uit de kleren'. Aan boord is er altijd minimaal één lid van de bemanning wakker. De anderen kunnen dan slapen. Dat is tegenwoordig nog steeds zo. Totdat er vis is, of  'stront aan de knikker'. In het eerste geval moet iedereen zo snel mogelijk aan dek om netten buiten te zetten of vis binnen te halen. In het tweede geval moet iedereen ook zo snel mogelijk aan dek. Nu om het schip en/of het vege lijf te redden. Het slapen aan boord bestaat meestal uit korte tukken. Een 'boerennacht' van 7 of 8 uur is er zeker niet bij.

Foto: Archief Tholen
helemaal rechts: Kees Bout
Omdat iedereen steeds zo snel mogelijk paraat moet zijn is het handig om de kleren aan te houden. Er zijn zelfs mannen die met hun laarzen aan in hun kooi kruipen.
Stel je van die kooien niet al te veel voor. De kooi (soms maar één, soms meer dan één) zat op een plek die verder van weinig nut was aan boord. In de punt (stampen) of bij kuilen lijn. Daar sliep dan twee man in, kop aan kont. Dat kost minder ruimte. De kooien waren meestal zo laag dat je niet rechtop kon zitten.
Probeer dan maar eens op een stampend en slingerend schip je kleren en je laarzen aan te trekken.
Klompen werden overigens wél uitgedaan. Daar schiet je zo in. Als je ze tenminste zo hebt weggestopt dat ze niet door de ruimte gaan rollen.

Doordat de vissers hun kleren een hele week aanhouden is nat worden (regen, buiswater) een probleem. Eenmaal nat blijf je nat tot je weer thuis bent. Een visser zal dan ook willen voorkomen dat zijn kleren nat worden. Daarom trekt hij oliegoed aan als daar de tijd voor is. Dan heb je geen waterdichte trui nodig.

Dat de trui thuis ook niet zou worden gewassen wagen we te betwijfelen.
'Als ze dan op vrijdag of zaterdag thuiskomen zijn ze ongeschoren en ze stinken', aldus de vissersvrouwen. Eerst wassen en scheren. Het scheren kan in die jaren nog bij de plaatselijke kapper. Op zondag ga je tenslotte pront naar de kerk.

Foto; Archief Tholen
rechts: Kees bout
We hebben foto's van dezelfde vissers in verschillende truien. Daarom denken we dat een visser vaak meer dan één trui had. De vuile trui kan dan op maandag worden gewassen en is de week daarna weer droog. De meeste vissers zijn behoorlijk arm. Sajet is echter de goedkoopste wolsoort die er is. Dat maakt sajet voor de vissersvrouwen een aantrekkelijk materiaal.

Aan boord werd er niet gewassen (zowel het lijf als de kleding) door de vissers. De hoeveelheid water die meegenomen kan worden is minimaal. Dit kostbare drinkwater ga je zeker niet verspillen aan het wassen van jezelf of je kleren.

Het 'niet wassen' van de truien ligt aan de westkant van de Noordzee een klein beetje anders. Daar is de visserstrui of gansey onderdeel van het marine uniform. Bij de marine ben je vaak langere tijd aan boord van het schip. Probleem aan boord is altijd de ruimte. Ook voor eten en drinken is de ruimte beperkt. Ruim  100 jaar geleden is het water rantsoen aan boord van een Engels marineschip zo'n 3 liter per persoon per dag voor drinken, koken en wassen. Daar ben je natuurlijk heel zuinig mee.


Wassen in zeewater kan niet. Het zout uit het water zal vocht aantrekken. Bovendien blijven er allerlei kleine organismen achter in de gansey. Dan stink je niet alleen naar een paalhoofd bij laag water (of een oesterput), maar die organismen zullen ook gaan rotten. Hoewel wij vinden dat een paalhoofd en een oesterput best lekker ruiken, kunnen wij ons voorstellen dat deze geur het als afther-shave niet goed zal doen.

Soms kan er worden gewassen in regenwater en maak je tijd om jezelf en je kleding te soppen.
Voor het wassen van de gansey had men een simpele, maar zeer effectieve methode gevonden. De ganseys worden gewassen in urine. Dit product is aan boord en kan na gebruik worden weggegooid. Urine is in eerste instantie een 'schoon' product. Pas na enige tijd gaan zich er bacteriën in ontwikkelen. Verse urine is daarom 'frisser'. Na het wassen wordt de gansey in de wind en zon te drogen gehangen.

En nu weten jullie misschien wel meer dan jullie eigenlijk wilden weten ;)

Bronnen:

  • Vissersverhalen, Kees Slager en Paul de Schipper
  • A fisherman knits
  • Archief gemeente Tholen




maandag 24 december 2012

Sajet

Als je er voor open staat vind je op de meest onverwachte plaatsen informatie. Dat is ook nu gebeurd. 'Ergens' tijdens het lezen komen we de volgende zin tegen: "..de truien werden gebreid van sajet in zwart of blauw. Deze sajet werd gemaakt van Texelaar."
Leuk om te weten, misschien kunnen we hier later nog iets mee doen.

Dan zien we via Uitzending gemist een aflevering van De wilde keuken (nog steeds te bekijken). Daarin weet Wouter Klootwijk te vertellen dat de eerste Texelaar (een schaap) ruim 100 jaar geleden werd geboren uit het huwelijk tussen een Engelse ram en een Nederlandse ooi. Dat gebeurde op Texel, vandaar de naam.

Foto: Texelaar
Maar, hoe kan dat dan? De oudst bekende truien zijn van rond 1880 - 1890. En dan moest de trui daarvoor nog worden gebreid en de wol dáárvoor nog worden verwerkt van vacht tot knot of streng. Was de Texelaar er al eerder, of werden niet alle truien van Texelaar gebreid?

We gaan op zoek, eerst naar de Texelaar. Er zijn verschillende bronnen die allemaal de 2e helft van de 19e eeuw noemen als beginperiode van het Texelse schaap. Op Texel wordt er al eeuwen met schapen gewerkt. Is dit genoemde 'Texelse schaap' dan de 'Texelaar' of niet?

Daarop lijken we antwoord te krijgen op de website van Texeler. In 1909 worden de fokkers het eens en wordt het stamboek voor de Texelaar opgericht.
Op de officiële website van de Texelaar kunnen we bovendien lezen dat een schaap 4 - 5 kg wol per jaar geeft. Trek daar de lanoline van af, dan kun jer er toch nog wel 2 of 3 visserstruien van breien. Maar, de truien waren er eerder dan het schaap.

Foto: Archief Veenendaal
Hoe zit het dan met de sajet? Opnieuw gaan we zoeken. Wat niet meewerkt is dat sajet niet alleen als 'sajet' werd geschreven, maar ook als 'saaijet' en bijvoorbeeld 'saeyette'.
De meeste informatie wijst echter naar het volgende:

In Veenendaal (ontstaan uit een veenkolonie) wordt tijdens de wintermaanden als er geen turf wordt gestoken wol gesponnen. De wol wordt gekocht van schapenboeren uit de Gelderse vallei en van de Veluwe. In de eerste helft van de 18e eeuw is de wolverwerking de belangrijkste werkvoorziening geworden. Eén van de rassen die mogelijk gebruikt zijn voor de wol is het Veluws heideschaap. In 1910 waren er nog 10.000 ooien, in 1960 was het ras vrijwel uitgestorven. Gelukkig lopen er nog steeds van deze schapen op de Veluwe.

Wolkammersbazen kopen de ruwe wol op markten. De wol wordt gekamd en gaat vervolgens naar thuisspinners. De spinners leveren de gesponnen draad terug aan de wolkammersbaas. Daarna worden de draden getwijnd en dan wordt het sajet genoemd (tot garen gesponnen wol). Tijdens het laatste stadium wordt de wol geverfd, meestal zwart of donkerblauw.
In 1837 besluit één van de grote wolkammers, Dirk Stevenszoon van Schuppen, de wol machinaal te laten twijnen in Leiden. De wol komt dan getwijnd terug naar Veenendaal om verder verwerkt te worden. Meer hierover is te lezen in het archief van Veenendaal.

Andere plaatsen waar sajet wordt geproduceerd zijn Leiden (in de 15e eeuw heeft Leiden een grote lakenindustrie) en Tilburg. Om het geheel wat ingewikkelder te maken verhuist de Leidsche wolspinnerij naar Veenendaal, gaat Scheepjeswol faillet, geldt hetzelfde voor Neveda (Nederland en Veenendaal) en is Scheepjes inmiddels weer op de markt als merknaam van firma De Bondt. Tja......

Scheepjeswolfabriek. Foto: archief Veenendaal

De sajet wordt gebruikt om lakens, kousen, tapijten en kleding van te maken. Met 'lakens' wordt niet de textiel voor op bed bedoeld, maar 'lakens doek' of 'lakense stof'. Dit is een wollen stof, geweven in plat- of keperbinding die gebruikt wordt voor kleding.
Over 'breien' vinden we nog niets. Tot de we term 'halfgekamde wol' tegenkomen. Er zijn verschillende soorten en kwaliteiten sajet. De brei sajet zoals die in het Zeeuwse bekend is, is een mindere kwaliteit. Nu schijnt het zo te zijn dat voor deze mindere sajet de korte haren niet allemaal worden uitgekamd.
Dat heeft verschillende voordelen: het is minder arbeidsintensief, er is minder afval en daardoor meer opbrengst aan sajet per kilo ruwe wol. Nadeel is dat de wol veel sterker getwijnd moet worden om alle vezels 'bij elkaar' te houden. Dat geeft een 'hardere' draad.


Foto: Jeanet Jaffari

Van deze wol worden veel visserstruien gebreid. Die wol kan afkomstig zijn van een Texelaar (zeg maar: na 1909), maar ook van een heel ander schaap. We hebben geen aanduidingen kunnen vinden of er onderscheid werd gemaakt tussen sajet van het ene en het andere ras. Waarschijnlijker is dat alle soorten bij elkaar gingen en dan werden verwerkt.