Posts tonen met het label achtergrond. Alle posts tonen
Posts tonen met het label achtergrond. Alle posts tonen

woensdag 29 mei 2013

Brouwershaven Visserstrui Kentering

Veel Zeeuwen zullen het zich wel voor kunnen stellen: een zonnige zomeravond op het strand, zo eind juli begin augustus. De zon staat in het westen, het is laag tij. De wind valt weg. De meeste badgasten (toeristen) zijn vertrokken en alleen de 'locals' zijn nog op het strand.
Een drieteenmeeuw is op zoek naar resten brood en weggegooide frietjes. Een andere krijst in de lucht.
Foto SH

Rust en het zachtjes ruisen van de golven. Ribbels in het natte zand, een beetje branding en daarachter een spiegelgladde zee..... net voor het kenteren van het getij.
Precies daaraan doet één van de patronen van Brouwershaven denken. Nu vinden we de werknaam 'op de kentering van het getij' een beetje lang. Daarom kortweg: kentering.

Brouwershaven (door Zeeuwen 'Brouw' genoemd en niet te verwarren met 'Bru') is vooral bekend van Concert at Sea op de Brouwersdam. Bij mooi weer erg leuk om dit festival mee te maken (vergeet je zonnebrandcrème en drinken niet) bij slecht weer volgens ons een nachtmerrie.

Fotograaf onbekend
Brouwershaven is een stadje met een visserijverleden. Vis en schaal- en schelpdieren vormen een bron van inkomsten. Wat velen niet weten is dat Brouw ook lange tijd een doorvoerhaven is geweest. In de 16e eeuw is het een doorvoerhaven voor zout naar de Oostzee. Wat mogelijk nog minder mensen weten is dat Brouwershaven overslaghaven is geweest voor Rotterdam. Deze plaats was door het verzanden van de Brielse Maas nagenoeg onbereikbaar geworden voor grote schepen.
De lading van die schepen werd in Brouw overgeplaatst op kleinere schepen en dan naar Rotterdam vervoerd. Tot 1872, dan wordt de Nieuwe Waterweg gegraven en is het gedaan met Brouw als doorvoerhaven. Weer andere waterwerken brengen Brouwershaven opnieuw voorspoed. Met de aanleg van de Deltawerken wordt de stad beter bereikbaar. Een jachthaven en het toerisme zijn de nieuwe bronnen van inkomsten.

Al vrij snel vinden we in Brouw twee verschillende visserstruien. Ze staan allebei op de foto hierboven. Van de trui links is dit de teltekening:


Het heeft even tijd nodig voor we uitvinden hoe het patroon precies is. Dit komt doordat we ons laten leiden door wat we tot nu toe hebben gevonden: de averechte steek geeft het accent. Dat deel is meestal smaller dan de rechte steken en komt daardoor naar voren. Na diverse proefjes klopt het patroon nog steeds niet. Tot we het breiwerk omdraaien..... aan de achterkant zien we het patroon wat we zochten.
Weer wat geleerd: kijk onbevangen en onbevooroordeeld naar de patronen en vergeet (bijna) alles wat je eerder hebt gevonden.
De foto is heel onduidelijk. We zijn er van uitgegaan dat het bovenste deel in gerstekorrel is gebreid. Een patroon met meer rechte en averechte steken naast en boven elkaar geeft een ander effect. Of dit ook echt zo is hebben we tot nu toe niet kunnen achterhalen.

Opvallend is dat in beide Brouwse truien het onderste deel van de panden en de mouwen in tricotsteek is gebreid. Dit komen we niet bij heel veel Zeeuwse truien tegen. Tot nu toe hebben we het volgende gevonden: Met uitzondering van het hart en het visnet van Tholen worden de patronen helemaal ingebreid in de truien.

Een breipakket van dit patroon (garen en een werkbeschrijving) is op aanvraag verkrijgbaar bij Jeanet van Blij dat ik Brei. Het patroon is op dit moment beschikbaar in de kindermaten 92 -104, 116 - 128 en 140 -164. Je kunt Jeanet mailen voor meer informatie.

Bronnen: 
- Wikipedia
- Rijkswaterstaat
- Vissersverhalen, Kees Slager en Paul de Schipper

dinsdag 7 mei 2013

Visserstrui Yerseke - Wevelingen

Ook bij het zoeken naar een trui uit Yerseke stuiten we steeds tegen hetzelfde aan:

"Nee hoor, die werden hier niet gedragen. Ja, soms een trui met een kabel. Het was maar net wat in de mode was of wat men leuk vond om te dragen."

"Je komt dat fenomeen wel vaker tegen. Toen die kabeltruien, later een schabbe. Eerst een blauwe en daarna een rode." (Een 'schabbe' is dialect voor een 'kiel'.)

Dát bedoelen we dus, de authentieke truien worden niet als zodanig herkend door de bewoners van een plaats. Op zich is dit niet heel vreemd. Het is immers 'gewoon'. Toch hebben we twee truien gevonden in Yerseke. Het was inderdaad zoeken. Vaak zijn de afbeeldingen heel donker, of gewoon slecht door waterschade.

Bron: Zeeuwse bibliotheek / Beeldbank Zeeland
Yerseke is nog steeds een beroemde plaats. Nadat vrijwel de gehele oestercultuur na 1953 (toen de dijken werden verzwaard en veel oesterputten verdwenen) en na 1963 (toen een ziekte vrijwel alle 'Zeeuwse platte' uitroeide) in Zeeland verdween, werd Yerseke hoofdstad van de oester en de mossel (en vergeet ook de minder bekende kokkel niet).

Jullie hebben er even op moeten wachten, het telpatroon van de Yersekse trui 'Wevelingen'.
Weveliengen is een dialectwoord. Het zijn de ladders aan boord van een schip, die zijn gemaakt van lijn of touw.
Hoogaars: toegeschreven aan Jean Paul Clays

Met deze trui is iets aan de hand. Van dezelfde trui hebben we een aantal foto's. Echter, op de ene foto lijkt het of het stukje tussen de 'sporten' in rechte steken is gebreid, op een andere afbeelding van dezelfde trui of het stukje in kabels is. Daarom deze keer twee telpatronen voor dezelfde trui: één zonder en één met kabels. De trui zonder kabels is zuiniger in gebruik van wol dan de trui met kabels.
Welke trui het echt was weten we niet. Misschien werden ze ook wel allebei gedragen. Pas bij het breien de breedte van de sporten en de kabels aan aan de breedte van de trui.




Wevelingen recht


Wevelingen kabels

Meerder voor de trui met kabels in dat deel steeds elke 3 tot 3 steken (net als bij de trui uit Vlissingen). Minder deze steken weer bovenaan de trui.

Bronnen: 
- Zeeuwse Bibiotheek
- Rinus van Stee
- Wikipedia

woensdag 27 maart 2013

Afvaller: Sint Philipsland

Afgelopen zaterdag toog Anna naar de open dag van de heemkundekring 'Stad en Lande van Tholen'. Deze kring is in het rijke bezit van zo'n 16.000 foto's. Je zou toch verwachten dat hier een foto aanwezig moet zijn van dé trui met 'het gaatjeshart'.

Aan het werk met een slagrieve.
Archief Heemkundekring Stad en Lande van Tholen
Helaas, pindakaas. Kees Fase van de kring leent zijn laptop uit zodat Anja snel digitaal de afbeeldingen kan bekijken. Er zitten hele mooie bij (dat absoluut), maar dé trui zit er weer niet tussen.

Op de vraag hoe het dan zit met de vissersvloot van Sint Philipsland (Anja was er toch) komt het Register van Zeeuwse schepen 1911-1947 op tafel. Wat een schat aan informatie...

Over de vloot van Sint Philipsland kunnen we kort zijn. In de hele periode van 36 jaar worden er 8 schepen geregistreerd. Alle schepen zijn vervolgens uit de visserij verdwenen. Stefanie en Anja houden het er dan ook op dat we hier geen visserstruien zullen vinden. Mocht het toch anders zijn, dan komen we er uiteraard op terug.

Archief Heemkundekring Stad en Lande van Tholen
Een andere verrassing is dat de Zeeuwse vloot veel groter was dan we steeds dachten. Niet alleen de plaatsen uit Zeeland vallen namelijk onder de Zeeuwse vloot, maar ook plaatsen als Bergen op Zoom, Willemstad, Goedereede en Ouddorp. Hoewel we daarmee een paar al bekende truien in de schoot krijgen geworpen, vergroot dit het onderzoeksgebied aanzienlijk.
We beraden ons over wat te doen; voorlopig beperken we ons tot onderzoek op de Zeeuwse eilanden.

In het register zien we dat schepen van de één naar de ander gingen. Dat schepen werden omgevlagd als een familie verhuisde en dat schepen van Marken naar Vlissingen en vervolgens weer naar IJmuiden gaan. Er komen en gaan in het Zeeuwse zelfs schepen van Engeland. Bedenk daarbij dat het register door de gemeentes moest worden bijgehouden en dat die vaak geen controle uitoefenden. Soms was een schip al weer vier keer verkocht voordat het opnieuw werd opgenomen in het register.
Maar, het geeft ook aan dat de contacten tussen plaatsen onderling vele malen groter was dan in de jaren 1980 steeds werd aangenomen.

Getuige hiervan is deze foto:

Op de achtegrond de ARM 44
Archief Heemkundekring Stad en Lande van Tholen

De foto is gemaakt op de werf van Roukema in Tholen. Tholen blijkt naast de werf Van Duivendijk nóg een werf te hebben gehad. Op deze werf waren vooral Arnemuidse vissers klant vertelt Frans Bout, een oude Thoolse visser. Waarom dat zo was kan hij zich niet herinneren: "Tja, dat weet ik niet. Je zou toch zeggen: ze hadden hun eigen werf bij Meerman."
Hij herinnert zich wel dat de werf in de winter van 1939-1940 afbrandde en nooit meer is opgebouwd.

We vinden ook de VLI 15 van Jacob Schroevers. In 1913 schaft hij zich een ander schip aan. We zien ook dat niet alle zoons meevaren bij pa. Er staan vier bemanningsleden gemeld in het register en geen vijf (of zes).

Daarmee zijn we weer terug in Vlissingen. Volgende week komt het volgende telpatroon: Vlissingen Takeling. Hier is wel iets bijzonders mee aan de hand. Daarover snel meer.

maandag 25 februari 2013

Tholen - visnet/ruit/diamant

Opvallend is dat we in de verschillende visserplaatsen in Zeeland (áls we de truien vinden) niet één maar meestal meer motieven vinden. Ook in en op Tholen is dat het geval. We schrijven 'in' en 'op', omdat de plaats Tholen op het eiland Tholen ligt. De plaats Tholen is er bij uitstek de vissersplaats. Er zijn nog steeds meerdere visbedrijven (zowel voor de visvangst als de -verwerking en de -verkoop) te vinden. Het is altijd mooi om te zien hoe 's morgens de viswagens over de brug vertrekken en 's avonds weer terugkomen.

Behalve de 'Vier Gebroeders' liggen er geen vissersschepen meer in de haven van Tholen. Met de komst van de Oesterdam en het sluisje zijn de schepen naar elders vertrokken, zoals naar Stellendam.

Joh. C.Schot leurt met vis in Poortvliet
Bekende namen van vissersfamilies zijn Schot, Bout, Baaij en Kwist. Bij de meeste van deze families vinden we ook truien in de archieven. Eén van die truien heeft een 'diamant' of 'visnet'. Deze trui (de banner hierboven is de foto van een originele trui) wordt in Tholen het meest gedragen en vinden we bij bijna alle families terug.

Een familie die veel voorkomt op de foto's is de familie Schot. Deze familie zit al eeuwen in de visserij. Vanaf begin 17e eeuw komt de naam 'Schot' voor in de visserij annalen. In eerste instantie is dat in Reimerswaal. De bewoners van dit dorp moeten na grote overstromingen vertrekken (het verdronken land van Reimerswaal) en zo gaan 'de Schotten' zoals de familie ook wordt genoemd rond 1630 naar Bergen op Zoom.

Ruim een eeuw later, in 1747, verhuizen twee broers naar Tholen. Aan het eind van de 19e eeuw is Ben Schot een oesterbaron met 12 hoogaarzen en een oesterbedrijf. Voor zowel zijn werknemers als zijn kinderen is hij niet gemakkelijk.
Als dan in 1912 drie zoons van Ben mosselgronden aangeboden krijgen bij Zierikzee vertrekt een deel van de familie naar Schouwen.

Uitladen en verwerken van mossels in de haven van Tholen
Het inbrei motief op deze trui wordt in Tholen tegenwoordig meestal 'diamant', 'visnet' of 'ruit' genoemd. Het inbreien is simpel: in de verder grotendeels in tricotsteek gebreide trui wordt middenvoor, op borsthoogte, met ribbels een diamant gebreid. Tot nu toe hebben we nog niemand kunnen vinden die nog weet of de diamant een symbolische betekenis had.
Uit Engeland weten we dat de diamant of het 'visnet', zoals de diamant ook wordt genoemd, staat voor één van de belangrijkste werktuigen van de vissers.

Een visnet in ribbels staat voor de lege netten bij vertrek. Een visnet in gerstekorrel (enkel of dubbel) staat voor de volle netten na een goede vangst. In en op Tholen hebben wij alleen het visnet in ribbels gevonden, maar wel in veel verschillende formaten.

Arie Schot
Brei de mini volgens het basispatroon. Na het onderboord komen er 3 toeren in averechte tricotsteek. Brei daarna verder in tricotsteek. Na 58 toeren wordt de diamant ingebreid. De laatste toeren van de panden staan ook in de teltekening. Brei na de laatste rechte toer (gezien aan de goede kant van het werk) de schouders aan elkaar.



De Tholenaren droegen vrijwel nooit pompons aan hun trui. Het was óf simpelweg een koordje met twee kwastjes óf helemaal geen koordje.

Met dank aan:
- Streekmuseum De Meestoof
- Kees Slager: Vissers verhalen
- Hilde Schot

zondag 10 februari 2013

Arnemuiden visserstrui blokjes 4:1

Eén van de bekendste Zeeuwse patronen van een visserstrui is die van Arnemuiden met de 'blokjes'. Het breiwerk trekt met dit patroon iets in elkaar. Als de trui 'pas' is gebreid sluit die daardoor goed aan.

Op onderstaande foto hebben zowel (o)pa Schroevers als kleinzoon Jacob van de Ketterij (gele pijl) zo'n trui aan.


Dat de vissers naast hun trui ook oliegoed nodig hebben blijkt uit deze foto. Hier staan opa Schroevers, zijn 5 zoons en Jacob op de VLI 15 in de Vlissingse haven.


(O)pa Jacob Schroevers is met zijn gezin naar Vlissingen verhuisd. Hij vaart ook niet meer op de Arnemuidse vloot, maar heeft zich een schip met een Vlissings consent nummer aangeschaft. Dat niet alleen de 'eerste generatie' de vertrouwde motieven voor hun vissertsrui behoudt blijkt uit de trui van kleinzoon Jacob.
Jacob is de zoon van Jacoba Schroevers (dochter van Jacob sr) en Cornelis van de Ketterij. Jacob verhuisde toen hij 6 jaar was met zijn ouders naar Vlissingen. In 1917 is de familie Van de Ketterij verhuisd naar Velsen.
De trui van deze Jacob zal gebreid zijn door zijn moeder of zijn oma. Dat andere vrouwen (weduwen) dergelijke truien voor families hebben gebreid hebben wij in Zeeland nog niet kunnen terugvinden.

Opvallend is dat de eerste generatie (Jacob sr) en de derde (Jacob Corneliszn) een trui met Arnemuids motief dragen. De tweede generatie die in Vlissingen is gaan wonen hebben deze truien niet (meer) aan. Zou dan toch oma de trui van Jacob Corneliszn hebben gebreid?

Het telpatroon is simpel:



Het aantal steken is deelbaar door 5. Afhankelijk van het breiwerk (heen en weer breien of rondbreien met een naadsteek) moet er bij het uiteindelijke aantal 1 st (averecht) worden opgeteld.

Voor deze mini (rondbreien):
Volg de algemene beschrijving. Die vind je hier. Brei de trui eventueel zonder naadsteek, het motief loopt dan mooi door over de panden (120 : 5 = 24 blokjes).
Wij beginnen na 10 rapporten in de hoogte aan de mouwspie. De schouder komt na 19 1/2 patroonrapport in de hoogte.


Neem de st voor de mouwen op zoals staat vermeld in de algemene beschrijving + 1 st. Deze extra st is voor het rapport: Let er op dat het rapport links en rechts van de mouwspie gelijk uitkomt (dat is voor het mooi) (60 st : 5 = 12 blokjes + 1st).
Deze mini heeft een dubbel mouwboord 2:2 van 12 nld hoog. Kant de st af zoals ze zich voor doen.



Brei de hals zoals in de algemene beschrijving.

De volgende keer: Tholen met de diamant.

Met dank aan de Historische Vereniging Arnemuiden.

maandag 4 februari 2013

Haring, oorlog, kaarten.. en visserstruien

Op vrijdag hebben Stefanie en Anja krijgsraad gehouden. Er zijn volop plannen gesmeed over wat er 'nu' gedaan moet, welke nieuwe wegen er bewandeld kunnen en hoe alle vondsten gepresenteerd zullen worden.
Dit vraagt even geduld.. maar deze maand nog komt het eerste telpatroon zeker online.

Haringbuis
We maken een figuurlijk uitstapje naar, alweer, de Shetland eilanden. Deze eilanden zijn al eeuwen een belangrijk visgebied voor Zeeuwen en Hollanders. Rond 1380 wordt het haringkaken uitgevonden. Deze vondst wordt in het algemeen toegeschreven aan Willem Beukelszoon uit Biervliet (Zeeuws-Vlaanderen).

Door het kaken blijft de vis langer goed, zeker als deze wordt ingelegd in zout. Dit geeft een enorme impuls aan de economie in Zeeland: Brouwershaven, Westenschouwen en Zierikzee, maar ook Veere en Vlissingen zijn belangrijke markten voor vissers en handelaren.
Plaatsen zoals Tholen, Hulst en Reimerswaal profiteren van de enorme vraag naar zout.

De haring komt al lang niet meer alleen van bij de Zeeuwse kust. De vis blijft langer goed en kan daardoor van verder weg gelegen, rijkere visgronden gehaald worden. Aan het begin van de 15e eeuw wordt een nieuw type schip ontwikkeld: de haringbuis. Daarmee varen de Zeeuwen naar Shetland en Orkney. Met alle politieke perikelen in de 16e eeuw en het uitbreken van de 80-jarige oorlog in 1568 wordt het varen buiten de territoriale wateren te gevaarlijk en vervalt deze haring industrie even snel als zij opkomt.

Ptolemaeus
Shetland en Orkney zijn belangrijker voor Zeeuwen en Hollanders dan voor de Britten. De oudst bekende kaart van de eilanden is van Claudius Ptolemaeus. Claudius leeft van ongeveer 90 - 150 in Alexandrië (Egypte). Het getuigt van enorme kennis en kunde dat hij de eilanden op een topografische kaart weet te plaatsen.

Willem Blaue (geb: Uitgeest of Alkmaar)
Dan volgt er een hele poos vrijwel niets tot in de 15e eeuw kaarten verschijnen met daarop de namen Hetlandia, Hitlandt, Scetis, Scetland, Schetlandia en Estland. Namen waaronder de eilanden eerder bij Zeeuwen en Hollanders dan bij Schotten en Engelsen bekend zijn. De eilanden waren voor Schotten en Engelsen economisch gezien veel minder belangrijk dan voor de Nederlanders. En daarmee komen we dan weer bij de (H)itse muts terecht.

Scheveningse logger
In de 19e eeuw wordt de haringbuis vervangen door de sloep. De sloep wordt vooral in de Zuidelijke Nederlanden gebruikt voor het vissen op haring, schelvis en kabeljauw. Noordelijker komt de logger meer in zwang. Het is met deze loggers dat de vissers (opnieuw) naar de Shetlands varen voor haring. Daar vandaan wordt behalve haring ook breiwerk meegenomen. En zo zijn we terug bij de visserstruien.

maandag 21 januari 2013

Voortbreiend inzicht

In de maanden dat we op zoek zijn naar de Zeeuwse visserstruien hebben we relatief veel foto's gevonden. Relatief, omdat watersnoden en branden veel materiaal hebben vernield: in 1906 en 1953 een watersnood en in mei 1940 de beschieting van Middelburg.
Bij deze beschieting wordt de hele binnenstad van Middelburg verwoest. Dat is een ramp, ruim 600 panden gaan in vlammen op. Een tweede ramp is dat enkele jaren daarvóór veel archieven van Zeeuwse gemeentes in Middelburg zijn opgeslagen, zodat ze veilig bewaard kunnen worden. Meer lezen? Klik dan hier.

Foto: Zeeuws archief
Daarom: relatief veel foto's. Van de Arnemuidse vissers vinden we er een groot aantal. Wij vragen ons af hoe het komt dat er juist van deze vissers veel foto's zijn. Een verklaring zou kunnen zijn dat het eiland Walcheren gemakkelijk bereikbaar is. In 1871 wordt de Sloedam bij Arnemuiden aangelegd. Deze dam verbindt de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland. Over de dam ligt een spoorlijn die Bergen op Zoom met Vlissingen verbindt. Die spoorlijn is een belangrijke verkeersader. Over snelweg kan men pas vanaf 1977 van Bergen op Zoom naar Oost-Souburg / Vlissingen.


Walcheren is door de Sloedam beter bereikbaar dan de eilanden Tholen, Noord-Beveland, Duiveland en Schouwen. Bovendien rijdt er een stoomtram over het eiland: Koudekerke, Biggekerke, Zoutelande, Westkapelle, Aagtekerke en Domburg zijn per tram bereikbaar. Een zijspoor is er van Koudekerke naar Vlissingen.

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw is Domburg een mondaine badplaats, er komen veel rijke gasten uit het buitenland. Bovendien is het eiland Walcheren geliefd bij kunstenaars vanwege het mooie licht. Naast schilders komen er ook fotografen; Charley Toorop, Eva Besnyö en Wilhelm Tobien zijn hiervan enkele namen.

De fotografen kijken door hun lens graag naar de typisch eigen beelden van het eiland. Daar horen de vissers vast ook bij. Hét voorbeeld is onderstaande foto: die werd gemaakt om als prentbriefkaart te versturen.


In andere vissersplaatsen zijn we helemaal afhankelijk van plaatselijke fotografen en wat er in archieven, schoenendozen en sigarenkistjes bewaard is gebleven. De foto's uit de archieven zijn dan weer afkomstig van de eigenaren van die schoenendozen en sigarenkistjes..... De kwaliteit van veel van de foto's laat zich raden.


Hoe lossen we dit probleem op. Vaak is er goed te zien dat er een visserstrui wordt gedragen. Hoe het echte patroon dan is, is van alleen een foto lastig te achterhalen. Door de hoek waarin de foto is genomen en de lichtval kan één patroon er op twee foto's heel verschillend uit zien.
Daarom besluiten we de 'trial and error' methode toe te passen. We gaan BREIEN. Door het breien komen patronen tot leven. Soms klopt een patroon in één keer, zoals de Arnemuidse patronen. Dat is niet zo moeilijk, die zijn goed gedocumenteerd.
Soms stuit je op een verrassing. Dan is het patroon aan de goede kant nét anders dan je op de foto ziet. Tot je het breiwerk omdraait en de achterkant haar geheimen prijsgeeft.


We overleggen over wat we met de patronen gaan doen. De meeste zijn ruim 100 jaar oud. We vinden het niet juist om deze basispatronen als ons 'eigendom' te beschouwen. Ze werden een eeuw geleden in grote armoede gebreid en doorgegeven van moeder op dochter.

Daarom willen we de basispatronen graag met jullie delen. Zoals gezegd, hiervoor gebruiken we de trial and error methode. Dat kost tijd. We breien mini's. Een trui op groot formaat kost op dit moment te veel tijd en materiaal.


Vanaf volgende week plaatsen we regelmatig een patroon. Verwacht geen uitgebreide brei-beschrijving. Het eerste patroon bevat de basis van de mini visserstrui. Die is in principe voor elke trui hetzelfde. Daarna volgen de teltekeningen van de verschillende truien.
Voor een trui op 'waar formaat' zal ieder voorlopig zelf aan de slag moeten met het omrekenen van de maten.

maandag 14 januari 2013

Fabels en Feiten - Een vreemde taal

Eén van de verhalen die gaan over de (Nederlandse) visserstruien is dat de vissers die droegen 'om herkenbaar te zijn in een land waarvan ze de taal niet spraken'.

Dat kan. Wij vragen ons echter af of dit klopt. Immers, als je per jaar enkele maanden in een ander land verblijft en afhankelijk bent van (ruil)handel aldaar dan leer je de taal toch spreken in de praktijk? Als we denken aan bijvoorbeeld de Duitse toeristen die jaarlijks Zeeland bezoeken: zij spreken vaak Nederlands. Dat is met een accent maar zij kunnen zich goed verstaanbaar maken.


De Scheveningen 77 loopt Lerwick binnen, ca. 1920
We besluiten het te vragen aan mevrouw Ineke van de Craats, wetenschapper en onderzoeker. Zij is verbonden aan de faculteit taalwetenschap van de Radbout Universiteit in Nijmegen. Haar specialiteit is het aanleren van een tweede / vreemde taal.

Wij leggen haar deze vraag voor:

In eerdere onderzoeken naar Nederlandse visserstruien wordt gesteld dat vissers hun truien droegen  'om herkenbaar te zijn in een land waarvan men de de taal niet sprak'. Wij hebben hier wat vraagtekens bij.
Nederlandse vissers verbleven soms een hele periode in Schotland of Engeland. Zij hadden intensief contact met de bevolking, handelden in vis en andere goederen en kwamen daar jaarlijks terug.
Hoewel de vissers geen schoolopleiding hebben gehad achten wij het waarschijnlijk dat deze vissers de Engelse (Schotse) taal wel een beetje beheersten, geleerd in de praktijk. Is dit een gedachte die steek zou kunnen houden?

Dit is haar antwoord:


Het is terecht dat je daar vraagtekens bij zet.


Al honderden, zo niet duizenden jaren zijn handelslieden de wereld in gegaan. Ze hadden vaak op basaal niveau taalcontact met de mensen die hun waar kochten en zo zijn er zogenaamde Pidgin-talen ontstaan. Pidgin-talen hebben weinig grammatica omdat  het voor volwassenen nu eenmaal moeilijk is de grammatica van een nieuwe taal te ontdekken zonder hulp en je die eigen te maken. 


Je moet daarbij ook denken aan talen die ontstaan zijn op de plantages tussen slaven uit Afrika en hun bazen in Amerika. Als die mensen kinderen krijgen, blijken de kinderen in staat spontaan grammatica te geven aan zulke pidgintalen. We spreken dan van Creooltalen (denk aan Sranan Tongo, Papiamentu, Creeols op Haïti, enz.). Die vissers zullen zeker een aardig mondje Engels hebben gesproken, ze zullen zeker veel woorden gekend hebben zonder die volledig grammaticaal aan elkaar te rijgen.



De middelste visser op de foto in Lerwick wordt bij name genoemd:
Pieter Vrijland , foto gemaakt in de jaren '20
Het is soms juist ook handig om als vreemdeling herkend te worden (vandaar die truien) omdat de mensen om je heen een beetje meer ermee rekening houden dat je niet alles zomaar verstaat en wat langzamer gaan praten of je meer gaan helpen. Dat effect wordt ook bereikt door niet bijna voortreffelijk te spreken maar je accent te laten horen. Ze kunnen ook gevonden hebben dat die truien bij hun identiteit pasten en zich daar lekker bij gevoeld hebben.

Het zegt niet zoveel of je een taal op school gehad hebt. Er zijn zoveel tweetaligen op de wereld die hun tweede taal spontaan, in de praktijk geleerd hebben: denk aan Indianen in Zuid-Amerika die meerdere talen beheersen, aan de bewoners van dorpen in Afrika, bijv. in Togo, of Ghana waar iedere paar dorpen hun eigen taal hebben. Het zijn ook nog vaak analfabeten die meerdere talen spreken. Je ziet alles is betrekkelijk.


Als we de lijn doortrekken naar onszelf: wij rijden graag met onze continentale auto met kaasplankjes (kentekenplaten) in de UK. Niet omdat we de taal niet spreken. Wel omdat de Britten dan kunnen zien dat wij het links rijden niet gewend zijn. We kúnnen het wel, maar het gaat ons niet zo goed af als de Britten zelf. Door die kaasplankjes zien zij dat ons stuur 'verkeerd' zit en dat we mogelijk wat meer moeite hebben met het inschatten van omgekeerde verkeerssituaties (rotondes).

In de praktijk blijkt (dat weten we omdat we ook wel eens met een Britse huurauto rijden) dat er dan inderdaad rekening met je wordt gehouden. In de huurauto zijn we niet herkenbaar als 'from Europe ;-)' en worden we in het verkeer behandeld als elke andere Brit.


Nederlandse kuipers verwerken in Lerwick de vangst aan boord
Conclusie: de vissers hebben wel voordeel van het dragen van hun Nederlandse kleding. Zoals we al eerder opmerken: zij worden herkend aan bijvoorbeeld hun klompen of broek. Dit is echter niet omdat zij de taal niet spreken.

De foto's bij dit bericht zijn afkomstig uit het archief van het Shetland Museum, net als de informatie die bij de foto's gegeven wordt.

maandag 7 januari 2013

Fabels en Feiten - herkomst van de gansey

In eerdere berichten hebben we al geschreven over de reikwijdte van de vissers en hun schepen. Om de geschiedenis van visserstruien te kunnen begrijpen gaan we terug naar Groot Brittannië.

De Britten zijn het zelf niet eens over hoe en waar de visserstrui precies is ontstaan. Eén verhaal is dat de gansey (zoals de visserstrui in Groot Brittannië heet) ontstaan zou zijn op Guernsey. Op dit eiland is al in de 15e eeuw een brei industrie waar bijvoorbeel kousen worden gemaakt. Voor het vervolg houden we deze versie voor 'waar' aan. Als we het tegendeel kunnen bewijzen komen we er op terug.

Foto: Gansey.co.uk
Er gaan verhalen dat de gansey oorspronkelijk als ondergoed zou zijn gedragen en vervolgens evolueert naar 'bovengoed'. Als de gansey inderdaad oorspronkelijk van Guernsey afkomstig is, is dit onwaarschijnlijk.
Het ondergoed was namelijk bekend als 'jersey'. Inderdaad, van het gelijknamige eiland. Een kenner schijnt het verschil tussen een gladgebreide gansey (bovengoed) en een gladgebreide jersey (ondergoed) te kunnen zien.
Zeker is wel dat lord Nelson in 1805 de gansey tot onderdeel van het marine uniform maakt. Of dit een gebreide of een geweven gansey was is niet helemaal duidelijk. Het is in ieder geval  'bovengoed'.

Waar de Britten het wel over eens zijn is dat de gansey zich van het zuiden naar het noorden verspreidt. Het kernwoord hier blijkt 'haring' te zijn. De haring trekt van zuid naar noord, of andersom (afhankelijk van het jaargetijde) over de Noordzee.
De haringvissers trekken met de haring mee. Nu zou je verwachten dat de vissers de ganseys mee nemen naar hun thuishaven. Het blijken echter niet de vissers maar vooral de gutters te zijn die de gansey verspreiden.


Foto: Shetland Museum and archives
Behalve de vissers trekken namelijk ook de gutters (haringkakers) van noord naar zuid langs de Britse kust. Deze gutters zijn vaak vrouwen. Net als met de paardentand staat ook de vrouwenhand niet stil. Als er niet gewerkt wordt, wordt er gebreid.
Mooi is dat de gutters de gansey steeds verfijnder maken. Hoe verder naar het noorden, hoe ingewikkelder de patronen. Het hoogtepunt ligt hier letterlijk én figuurlijk in Schotland (inclusief de Shetlands). In Schotland wordt (ook) Gaelic gesproken. Het Gaelic woord voor 'gansey' is 'geansaidh'.

De tot nu toe oudste foto die we hebben kunnen vinden met een bewerkte gansey dateert uit 1880. De bekende foto van vissers in Vlissingen is van 1891, slechts 11 jaar jonger.

Foto: Beeldbank HVA

Vrij zeker is dat de Nederlandse haringvissers die op de Shetlands komen de ganseys meenemen naar Nederland, net zoals dat gebeurt met de Itse muts in Marken. Mogelijk is er ook nog een connectie wat zuidelijker, met de botvisserij. Echte bewijzen hiervoor hebben we nog niet kunnen vinden. Het breigoed wordt geruild voor bijvoorbeeld thee of tabak.


Foto: Shetland Museum and archives

Voor Zeeland lijkt het kernwoord niet 'haring' maar 'mossel' te zijn. Vanaf 1890 vinden we in het archief van het Shetland museum Nederlandse vissers in ganseys. Ze zijn ondermeer afkomstig van Marken en Urk. Rond 1870 zijn de mosselbanken in de zuidelijke Nederlanden vrijwel uitgeput en gaan Zeeuwse vissers over de Zuiderzee naar het noorden om op de Waddenzee mosselzaad te vissen. In 1891 wordt de foto van de Arnemuidse vissers in Vlissingen gemaakt.

Tijdens de dagen dat er niet gevist kan worden en men verwaaid ligt ergens in een haven is er contact tussen vissers uit verschillende plaatsen.
We gaan er op dit moment van uit dat de mosselvissers de vissertrui hebben meegenomen naar het zuiden van Nederland. Als dit klopt is de verspreiding langs de Friese, Hollandse en Zeeuwse kust snel gegaan. Binnen één decennium dragen veel vissers dergelijke truien.

maandag 24 december 2012

Sajet

Als je er voor open staat vind je op de meest onverwachte plaatsen informatie. Dat is ook nu gebeurd. 'Ergens' tijdens het lezen komen we de volgende zin tegen: "..de truien werden gebreid van sajet in zwart of blauw. Deze sajet werd gemaakt van Texelaar."
Leuk om te weten, misschien kunnen we hier later nog iets mee doen.

Dan zien we via Uitzending gemist een aflevering van De wilde keuken (nog steeds te bekijken). Daarin weet Wouter Klootwijk te vertellen dat de eerste Texelaar (een schaap) ruim 100 jaar geleden werd geboren uit het huwelijk tussen een Engelse ram en een Nederlandse ooi. Dat gebeurde op Texel, vandaar de naam.

Foto: Texelaar
Maar, hoe kan dat dan? De oudst bekende truien zijn van rond 1880 - 1890. En dan moest de trui daarvoor nog worden gebreid en de wol dáárvoor nog worden verwerkt van vacht tot knot of streng. Was de Texelaar er al eerder, of werden niet alle truien van Texelaar gebreid?

We gaan op zoek, eerst naar de Texelaar. Er zijn verschillende bronnen die allemaal de 2e helft van de 19e eeuw noemen als beginperiode van het Texelse schaap. Op Texel wordt er al eeuwen met schapen gewerkt. Is dit genoemde 'Texelse schaap' dan de 'Texelaar' of niet?

Daarop lijken we antwoord te krijgen op de website van Texeler. In 1909 worden de fokkers het eens en wordt het stamboek voor de Texelaar opgericht.
Op de officiële website van de Texelaar kunnen we bovendien lezen dat een schaap 4 - 5 kg wol per jaar geeft. Trek daar de lanoline van af, dan kun jer er toch nog wel 2 of 3 visserstruien van breien. Maar, de truien waren er eerder dan het schaap.

Foto: Archief Veenendaal
Hoe zit het dan met de sajet? Opnieuw gaan we zoeken. Wat niet meewerkt is dat sajet niet alleen als 'sajet' werd geschreven, maar ook als 'saaijet' en bijvoorbeeld 'saeyette'.
De meeste informatie wijst echter naar het volgende:

In Veenendaal (ontstaan uit een veenkolonie) wordt tijdens de wintermaanden als er geen turf wordt gestoken wol gesponnen. De wol wordt gekocht van schapenboeren uit de Gelderse vallei en van de Veluwe. In de eerste helft van de 18e eeuw is de wolverwerking de belangrijkste werkvoorziening geworden. Eén van de rassen die mogelijk gebruikt zijn voor de wol is het Veluws heideschaap. In 1910 waren er nog 10.000 ooien, in 1960 was het ras vrijwel uitgestorven. Gelukkig lopen er nog steeds van deze schapen op de Veluwe.

Wolkammersbazen kopen de ruwe wol op markten. De wol wordt gekamd en gaat vervolgens naar thuisspinners. De spinners leveren de gesponnen draad terug aan de wolkammersbaas. Daarna worden de draden getwijnd en dan wordt het sajet genoemd (tot garen gesponnen wol). Tijdens het laatste stadium wordt de wol geverfd, meestal zwart of donkerblauw.
In 1837 besluit één van de grote wolkammers, Dirk Stevenszoon van Schuppen, de wol machinaal te laten twijnen in Leiden. De wol komt dan getwijnd terug naar Veenendaal om verder verwerkt te worden. Meer hierover is te lezen in het archief van Veenendaal.

Andere plaatsen waar sajet wordt geproduceerd zijn Leiden (in de 15e eeuw heeft Leiden een grote lakenindustrie) en Tilburg. Om het geheel wat ingewikkelder te maken verhuist de Leidsche wolspinnerij naar Veenendaal, gaat Scheepjeswol faillet, geldt hetzelfde voor Neveda (Nederland en Veenendaal) en is Scheepjes inmiddels weer op de markt als merknaam van firma De Bondt. Tja......

Scheepjeswolfabriek. Foto: archief Veenendaal

De sajet wordt gebruikt om lakens, kousen, tapijten en kleding van te maken. Met 'lakens' wordt niet de textiel voor op bed bedoeld, maar 'lakens doek' of 'lakense stof'. Dit is een wollen stof, geweven in plat- of keperbinding die gebruikt wordt voor kleding.
Over 'breien' vinden we nog niets. Tot de we term 'halfgekamde wol' tegenkomen. Er zijn verschillende soorten en kwaliteiten sajet. De brei sajet zoals die in het Zeeuwse bekend is, is een mindere kwaliteit. Nu schijnt het zo te zijn dat voor deze mindere sajet de korte haren niet allemaal worden uitgekamd.
Dat heeft verschillende voordelen: het is minder arbeidsintensief, er is minder afval en daardoor meer opbrengst aan sajet per kilo ruwe wol. Nadeel is dat de wol veel sterker getwijnd moet worden om alle vezels 'bij elkaar' te houden. Dat geeft een 'hardere' draad.


Foto: Jeanet Jaffari

Van deze wol worden veel visserstruien gebreid. Die wol kan afkomstig zijn van een Texelaar (zeg maar: na 1909), maar ook van een heel ander schaap. We hebben geen aanduidingen kunnen vinden of er onderscheid werd gemaakt tussen sajet van het ene en het andere ras. Waarschijnlijker is dat alle soorten bij elkaar gingen en dan werden verwerkt.

maandag 17 december 2012

Fabels en Feiten - Visserstrui als paspoort

Inmiddels vinden we een heleboel losse eindjes. Hopelijk kunnen we daar uiteindelijk een mooi verhaal van breien. Om het beeld te schetsen: verschillende truien komen we in verschillende plaatsen en op verschillende schepen tegen op foto's. Helaas zijn veel foto's van slechte kwaliteit. Watersnoden, inundaties en bombardementen hebben er geen goed aan gedaan.
Mogelijk moeten we ook tot de conclusie komen dat zaken die we decennia voor waar hebben aangenomen toch een beetje anders liggen. Dat vraagt een nieuwe manier van zoeken.

Op deze foto, gemaakt in Lerwick, zijn de jongens waarschijnlijk herkend als Nederlands aan hun klompen:


De vierde jongen in de roeiboot wordt beschreven als 'one other boy'. Immers, zijn klompen of ander schoeisel zijn niet zichtbaar. De foto is gedateerd: midden jaren '20.

We zijn daarom een aantal vragen gaan stellen. Bijvoorbeeld: draag je bepaalde kleding om herkenbaar ter zijn? Ja, in het geval van bijvoorbeeld uniform beroepen of een sportvereniging bij een wedstrijd.

Aan de andere kant: Ben je herkenbaar omdat je bepaalde kleding draagt? Ook ja. Een voorbeeld uit onze eigen praktijk:
Voor je in Schotland een munroe gaat beklimmen is het een goede gewoonte om je te melden bij de ranger. Daar geef je dan aan met hoeveel je bent, wat je gaat doen en wanneer je terug denkt te zijn. Allemaal voor het geval dat... De ranger noteert voor de statistieken ook het land van herkomst . In dit geval wil zij graag zelf raden: 'You're Dutch. The girls have proper shoes to climb a mountain, as well as you do.' We hebben die schoenen niet aan om herkenbaar te zijn als Nederlands. Die schoenen zijn om fatsoenlijk de berg op te kunnen.

Een dergelijk voorbeeld vinden we ook in het archief van het Shetland museum:


Uit een deel van het bijschrift: 'Nederlandse visser, waarschijnlijk van Marken. Hij draagt een kniebroek en leren klompen.' En dan als laatste zinnetje: 'Hij draagt een gebreide visserstrui.'
De man werd niet herkend aan zijn trui, maar aan zijn broek en klompen. In feite is dat logisch: handgebreide truien waren gemeengoed op de Shetlands. Deze afbeelding is overigens één van de twee oudst gedateerde foto's over Nederlanders in dit museum: uit 1890.

Wij gaan er op dit  moment van uit dat de vissers herkenbaar waren omdat zij truien droegen, en niet dat zij truien droegen om herkenbaar te zijn. Er werd gedragen wat men mooi vond, wat moeder de vrouw graag wilde breien, wat er in de mode was. Daarbij zal het 'toen' waarschijnlijk net zo geweest zijn als 'nu': Je wil je wel onderscheiden, maar ook niet buiten de groep vallen.

Een andere factor kan 'geld' zijn geweest. Sommige patronen (denk aan kabels) vragen veel meer sajet dan andere (de Arnemuidse slangen). Dan speelt rijkdom en armoede misschien ook een rol.


Anders ligt dit bij het consentnummer van visserschepen. Vanaf 1850 zijn er in het Zeeuws archief consenten te vinden voor visserschepen. Daarin wordt het schip beschreven en wie de eigenaar is. Hoewel we er voor het plaatsen van truien (er is geen merk aangebracht op het schip) niet zo veel aan hebben geeft dit wel een beeld over de hoeveelheid schepen. Vanaf 1883 moet elk schip wat buiten de 12-mijls zone vist een consent nummer hebben. Het nummer wordt goed zichtbaar aangebracht op het schip.

Dit is voor ons interessant. Het nummer bestaat namelijk uit maximaal 3 letters en 3 cijfers. De letters geven de thuishaven aan. Dat maakt het voor ons mogelijk in ieder geval het schip te identificeren.
Of de bemanning dan ook uit die thuishaven afkomstig was blijft de vraag. Daar zullen we waarschijnlijk nooit een antwoord op vinden.

maandag 10 december 2012

Redders en geredden

Vooraf:
Op de avond van het samenstellen van dit bericht, 5 december, vindt voor de kust van Zeeland de grootste scheepsramp sinds jaren plaats. Wij hebben allebei een partner die in de maritieme sector werkt. Daardoor raakt dit ons misschien wat meer dan andere mensen.
Deze scheepsramp met de Baltic Ace is voor ons aanleiding geweest onderstaand verhaal wat later te publiceren dan eigenlijk de bedoeling was.


In de beeldbank van de Historische vereniging Arnemuiden valt mijn oog op een zinsnede bij bovenstaande foto: 'De heldhaftige familie Schroevers' en 'schipbreuk met de Doris'.
Veel lezers zullen met de familie Schroevers niet bekend zijn. De bezitters van het boekje 'Nederlandse Visserstruien' kennen de schipbreuk met de Doris echter wel. Van deze foto:



Nu gaat het kriebelen. Klopt het verhaal in het boekje? Hoe ging dat dan? In het kort het verhaal (Wikipedia):
De stranding van de Doris vond plaats op 13 december 1907 voor de kust van Westkapelle. De Engelse schoener liep met averij aan het roer vast op de Rassen, een zandbank ten zuiden van Westkapelle. Het schip liep snel vol water en de bemanning kon zich slechts redden door in de masten te klimmen en zich daar vast te sjorren. Alleen de 18-jarige kok Ernest Crowthers bond zich niet vast en, zo verklaarde de kapitein later, werd krankzinnig van angst en kou, liep van uitputting los en verdronk. De reddingsboot Koning Willem III uit Vlissingen voer, nadat door de bevolking van Westkapelle alarm was geslagen, samen met de sleepboot Elbe uit, maar zij konden door het ruwe weer niet dicht genoeg bij het gestrande schip komen en moesten onverrichter zake terug naar Vlissingen.



Op zaterdagmiddag half vier voer de 54-jarige Jacob Schroevers met de botter Vijf Gebroeders uit om te kijken of hij assistentie kon verlenen. Omdat hij de Doris niet in zicht kreeg, voer hij terug naar Vlissingen. Toen hij 's avonds echter hoorde dat er toch nog mensen aan boord moesten zijn vroeg hij zijn vijf zonen; Job (30 jaar), Gerard (27 jaar), Jacob jr. (24 jaar), Klaas (20 jaar), Lieven (17 jaar) en kleinzoon Jacob van de Ketterij (13 jaar) om met hem mee te gaan om te trachten de schipbreukelingen te redden. Jacob  sr. verklaarde in eerste instantie de aanwezigheid van zijn kleinzoon dat hij hem eerst had verboden om mee te gaan, maar was gezwicht omdat hij bleef zeuren. Later verklaarde Jacob Schroevers jr. dat zijn neefje stiekem aan bord was gekropen en werd ontdekt toen ze halverwege het Oostgat voeren.


De redders Schroevers, met op de voorgrond
de 13-jarige Jacob

Schroevers voer om 11 uur 's avonds uit. Toen ze in de buurt van de Doris kwamen was de zee zo ruw dat ze niet dichtbij konden komen. Pas 's morgens, nadat het weer lichter werd, konden ze een poging wagen om met de ankerkabel een lijn te leggen met de Doris, waar drie schipbreukelingen nog steeds vastgesjord in de achtermast, en één in de voormast hingen. Na het toewerpen van de lijn kreeg een van de drenkelingen van de achtermast deze te pakken, waarna hij zich vastmaakte, in het water sprong en kon worden binnengehaald op de Vijf Gebroeders. Het lukte met grote moeite ook de andere twee op dezelfde wijze te redden, maar ze zagen geen kans om de man uit de voormast te benaderen. Later werd die door de reddingsboot alsnog gered. Onderweg naar Vlissingen werden de geredden, die 35 uur in de mast hingen, van warmte en voedsel voorzien.

Terug naar de foto in het boekje. Klopt het verhaal? Eigenlijk niet. We moeten daarbij niet vergeten dat het verkrijgen van de juiste informatie in de jaren '80 van de vorige eeuw waarschijnlijk moeilijker was dan nu.

'De Rassen' bij Westkapelle is een heel andere plaats dan de Westerschelde. Het leuke is dat we nu zelfs namen kunnen geven aan de mannen op de foto:



Zittend van links naar rechts: schipper Jilleba van de reddingsboot, kapitein Magor van de Doris, schipper Jacob Schroevers, zijn 13-jarige kleinzoon Jacob van de Ketterij.
Op de tweede rij van links naar rechts: 2e schipper reddingsboot Kamermans, 2 roeiers, dan (in willekeurige volgorde) Caddy, Rowlands en Johnson van de Doris, 2 zoons Schroevers
Op de achterste rij: 3 roeiers en 3 zoons van Schroevers.

Helaas worden de roeiers van de reddingsboot en de zoons van Jacob Schroevers voor de foto niet verder benoemd. Waarschijnlijk staat Jacob jr. helemaal rechts op de tweede rij, met links van hem Job of Gerard. De namen zijn wel bekend:
Job, Gerard, Jacob (jr), Klaas en Lieven Schroevers. De roeiers heten Jilleba, Jobse, Burgers, De Buck, Baljé en De Smit.
Wie geeft de gezichten de goede naam?

De bemanning van de reddingsboot bestaat uit werknemers van het loodswezen. Dit is echt heel iets anders dan een reddingsbrigade.
Het is de vraag of er echt een godsoog op alle gladgebreide truien staat. Twee zoons van Jacob en de twee mannen links bij schipper Jilleba hebben zo'n trui aan. De andere gladde truien lijken helemaal geen inbreisels te hebben.

Alle vissers op de foto wonen in Vlissingen. Hun familie is oorspronkelijk afkomstig uit Arnemuiden en in 1900 naar Vlissingen verhuisd. Voor zover wij het hebben kunnen terugvinden waren alle broers bemanningslid op de VLI 15. Een visser uit Katwijk staat dus niet op de foto. De trui is gebreid met kabels en tussenliggende randjes. Bovendien is de trui 11 jaar ouder dan de tijd waarin de eerste Katwijkse truien zouden worden gedragen (na WO I, volgens Van der Klift).
Het benepen kijkende jongetje op de foto is geen 7 of 8 maar 13 jaar. En, hij koos er helemaal zelf voor om mee te gaan.

Verder waren het geen Nederlandse vissers die schipbreuk liepen, maar Britten met een lading pijpaarde. De vissers waren redders. Ook was bekend dat niet de hele bemanning de ramp heeft overleefd. De 18-jarige kok Crowthers is verdronken.

De redders zijn allemaal geëerd:


 Deze redding heeft zo veel indruk gemaakt dat er zelfs een liedje over was:


De Doris is gezonken,
't kwam door het slechte weer.
De redders waren de Schroevers,
't was een zegen van de Heer.
Meer lezen? Download dan deze PDF.
De informatie en foto's in dit bericht is afkomstig van de Historische vereniging Arnemuiden, Wikipedia en het Dorusrijkersforum.